Boekbespreking

Een nieuw sociaal contract

Pieter Omtzigt heeft zich als lid van de Tweede Kamer hard gemaakt voor mensen die in de verdrukking komen door regelingen van de overheid. Samen met Renske Leijten en onderzoeksjournalisten lukte het, tegen de weerstand in, de toeslagaffaire boven water te krijgen. Het daarop volgende onderzoeksrapport ‘Ongekend onrecht’ leidde tot de val van het kabinet. Het is een van de weinige voorbeelden dat de politiek zich werkelijk richt op de gevolgen van overheidsregelingen in de leefwereld. Jaren van onderzoek gingen eraan vooraf. Hun werk gaf een beeld van het stelselmatig achterhouden van informatie en onjuist of te laat informeren van de Kamerleden.

Omtzigt vatte in het boek ‘Een nieuw sociaal contract’ zijn observaties samen. Het boek is ingedeeld in drie thema’s: zijn motivatie, het huidige informatiegebrek en het nieuwe sociaal contract waar hij voor pleit. Het is hem niet te verwijten dat het boek zich vooral richt op de systeemwereld. Daar moet de verandering primair plaatsvinden. Maar hij bepleit natuurlijk ook voor de verbinding met de leefwereld. Op pag. 67 stelt hij: “Het is van groot belang dat het vertrouwen hersteld wordt en dat vraagt om een nieuwe manier waarop overheid, bedrijfsleven en samenleving zich tot elkaar verhouden”. En hij benoemt hét probleem van de systeemwereld (86): “Terwijl iedereen modellen bouwt, wordt er nauwelijks nagedacht over de complexe werkelijkheid” en (83): “De fixatie op een modelwerkelijkheid zorgt ervoor dat de echte werkelijkheid steeds verder uit beeld raakt”. In een slotbeschouwing (115) uit hij zijn zorg: “…de modellen waarin ook menselijk gedrag zit, zijn essentieel. Ze moeten immers beantwoorden aan de werkelijkheid en het moet niet zo zijn dat de ‘werkelijkheid’ die van de modellen wordt…”.

Maar hij benoemt ook het dilemma van ‘wie betaalt, bepaalt’. (149) “Het (toeslagschandaal) laat zien dat zowel de samenleving zelf als de regering zou profiteren van een onafhankelijker maatschappelijk middenveld dat niet afhankelijk is van subsidies. Misstanden kunnen dan sneller naar voren komen en discussies kunnen scherper worden gevoerd, terwijl iedereen zijn eigen onafhankelijke positie behoudt.”

En hij gaat in op het kernprobleem; de noodzaak tot het herstel van vertrouwen: (189) “Vertrouwen in elkaar en in de overheid is alleen mogelijk als iedereen zeggenschap heeft en mee kan doen, als we betrokkenheid en draagvlak van onderop organiseren.” Dat dit een dilemma oplevert, realiseert hij zich ook: (198) “Een levendig en onafhankelijk middenveld organiseren is waarschijnlijk het moeilijkste stuk van het nieuwe sociale contract, omdat burgers echt tegenspraak kunnen bieden. De overheid komt al gouw weer in de verleiding om het maatschappelijk middenveld te subsidiëren en zodanig mee te laten draaien dat het bijna weer onderdeel wordt van de overheid in plaats van een onderdeel van de samenleving te blijven”.

Daarmee benoemt hij misschien wel de belangrijkste hindernis; een subsidieverhouding die leidt tot een houding van ‘wie betaalt, bepaalt’. Het belemmert niet alleen herstel van vertrouwen maar kleurt ook de informatie vanuit de samenleving. Medemo biedt een oplossing voor dit dilemma met een principiële scheiding tussen het te subsidiëren informatiesysteem en de inhoud. Medemo als neutrale facilitator, de lokale verenigingen als opiniërende vertegenwoordigers van de samenleving.